zaterdag 7 januari 2012

Een korte geschiedenis: de Sozialdemokratische Partei Deutschlands

In 1869 stichtte Wilhelm Liebknecht (1826-1900) een Marxistische organisatie die bekend kwam te staan als de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD). Ondanks de verwoede pogingen van Otto von Bismarck (1815-1895) om de vooruitgang van deze partij en haar felle weerstand tegen het Pruisendom te belemmeren groeide de partij al snel. In 1877 had de SPD ongeveer 493.000 stemmen, in 1890 waren dit er al 1.427.000 en in 1912 had de SPD een derde van alle stemmen binnen gehaald; een indrukwekkend totaal van 4.239.000 stemmen. Door haar snel groeiende reputatie werd de SPD een leidend rolmodel voor Sociaal-Democratische organisaties door geheel Europa. Echter ondanks al haar grote successen was de partij nog steeds niet in staat de macht te verkrijgen.

Het sociale en politieke klimaat in het vooroorlogse Duitsland was er een van strijdbaarheid van de werkende klasse. De Duitse werkende klasse had het vermogen om zich te organiseren in vakbewegingen. Deze gingen de confrontatie aan met diegenen die het status quo wilden behouden. Zij wisten het concept van klassenspanning om te zetten in de praktijk van klassenstrijd. Op een conferentie in Stuttgart in 1907 riepen de Communisten op tot een golf van stakingen die de economie plat moesten leggen en die arbeiderssolidariteit moesten oproepen. Ondertussen werden reactionaire groepen – deels bewust, deels onbewust – gebruikt door de Duitse staat om de arbeidersklasse te verdelen en te onderdrukken. Dit in een poging om de macht van de SPD en getalenteerde theoretici zoals Karl Kautsky (1854-1938) te ondermijnen. Deze laatste formeerde in 1891 het Ertfurd programma dat een intelligente synthese bood van zowel reformistische als revolutionaire ideeën binnen een Marxistisch kader. In realiteit hoefde rechts niet te vrezen voor de opkomst van het socialisme, omdat links zich vooral bezig hield met het zelfvernietigend proces van ideologische fragmentatie. Ondanks het feit dat er binnen de SPD zeker revolutionaire elementen aanwezig waren, wist de partij om deze inherente strengen van het Marxistische denken te beperken. De SPD pleitte enkel als een verlengstuk voor de ondernemingen binnen een hervormd politiek systeem. Zelfs Rosa Luxemburg (1870-1919) bleef lid van de SPD ondanks haar oppositie tegen partij- en vakbondleiders en de charismatische heerschappij op het congres van de partij in 1913. De grootste en meest verenigde kakofonie van links in Duitsland kwam met het gruwelijke vooruitzicht op een volledige oorlog.

In het verleden had het Duitse Socialisme een sterke niet-interventionistische benadering geadopteerd bij vormen van conflict die als kapitalistisch of imperialistisch werden beschouwd. De SPD was dan ook een van de grootste tegenstanders van de twee Balkanoorlogen in 1912 en 1913. Toen Oostenrijk haar ultimatum aan Servië oplegde in juli 1914 trachtte de partij de vlammen van de internationale militaire mobilisatie te onderdrukken door op te roepen tot debat en diplomatie. Op 25 juli verklaarde de SPD nog openlijk haar oppositie tegen “imperialistische commerciële belangen” en verklaarde: “Wij willen geen oorlog! Weg met de oorlog! Lang leve internationaal broederschap!”. Echter toen Berlijn gedwongen werd om de nationale noodtoestand uit te roepen kwam de SPD terug op deze positie en binnen minder dan een week steunde zij de vraag van de Kaiser voor 5 miljoen DM aan oorlogskrediet al. Zelfs de meest linkse vleugel binnen de partij steunde dit onkarakteristieke doel vanwege de sterke interne discipline die de SPD had.

Het pseudo-Nationalistische sentiment dat de Staat had los gelaten was het begin van de vereniging van grote aantallen arbeiders achter haar militaristische vaandel. De zelfidentificatie met de Staat verdrukte de proletarische gevoelens van isolatie, onzeker vertrouwen, berusting, passiviteit en de last van hun verdeelde loyaliteiten – aan de nationale Staat enerzijds en aan het internationaal Socialisme anderzijds. De oorlogsverklaring leidde tot honderden en duizenden juichende mensen in Duitse steden die, mede dankzij het sterk overdreven potentieel van het Schleiffen Plan, zich nog onbewust waren van het feit dat een snelle overwinning niet mogelijk was. Mannen zoals Paul von Hindenburg (1847-1934) en Erich Ludendorff (1865-1937) werden nationale helden en Duitsland werd al snel verdeeld in verschillende zones die door militaire leiders beheerst werden. Iedere oppositie tegen de oorlog werd beschouwd als “onpatriottisch” en “anti Duits”. In politieke termen betekende dit voor de SPD dat als zij haar vroegere pacifistische koers zou voortzetten dit tot haar totale obscuriteit zou leiden. Anderzijds zorgde de plotselinge vraag voor productie en mobilisatie van het Duitse proletariaat dat de Socialisten zich konden organiseren binnen het kader van de binnenlandse oorlogsinzet. Echter om haar invloed op de Duitse arbeiders te versterken moest de partij haar meer pacifistische principes verraden en zichzelf schuldig maken aan een zeer vuile vorm van ideologisch opportunisme. De SPD probeerde haar steun aan de eerste wereldoorlog te rechtvaardigen door te claimen dat “het nu doet wat we altijd emfatisch vol hielden: wij verzaken niet nu het Vaderland in gevaar is.” De toenemende hypocrisie binnen de partij leidde er uiteindelijk toe dat men gedurende de vijandelijkheden andere Duitse partijen niet langer bekritiseerde. De Kaiser had in 1914 in de Duitse Reichstag verklaard dat hij “geen Duitse partijen kende, enkel Duitse burgers”; op deze manier trachtte hij de Duitse verdeeldheid tegen te gaan en het volk te verenigen in de gedeelde oorlogsinzet. Deze strategie voor eenheid heette de “Burgfrieden” en was, zoals we uit het handelen van de SPD kunnen opmaken, erg succesvol.



Ondanks de “Burgfrieden” begon de externe oorlog al snel de situatie in Duitsland zelf te bepalen. Toen in 1915 de Duitse troepen zwaar verzand waren in de loopgravenoorlog en het moreel langzaam maar zeker begon te dalen ging de algemene consensus die de “Burgfrieden” bood al snel scheuren te vertonen. Diegenen die het “Burgfrieden” beleid probeerden te handhaven, probeerden deze desintegratie op alle manieren tegen te gaan door alle “dreigingen” voor de “Duitse eenheid” de kop in te drukken. Het werd dan ook als snel een middel van repressie om de minder populaire meningen tegen te gaan die onder een steeds groter segment van de bevolking te horen waren. Ondertussen moest Duits links zichzelf herzien. Het parlementaire leiderschap van de SPD werd aangevallen door de linkse vleugel binnen de partij. Individuen zoals Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht kregen meer en meer invloed op de meer gedesillusioneerde elementen binnen de normale gelederen. Beiden waren uitgesproken tegen de oorlog gekant. Luxemburg en Liebknecht beschouwden de vereniging van de heersende klasse en de Duitse arbeiders achter een Nationalistische façade als een plot om het Duitse Socialisme te ondermijnen. De belangrijkste krant van de SPD, “Vorwarts”, werd de literaire arena voor het debat dat plaats vond tussen diegenen die de oorlog van de Kaiser steunden en diegenen die hier juist sterk op tegen waren. Deze oorlog van woorden begon al snel te escaleren met de veranderende koers van de eerste wereldoorlog die voor steeds grotere ontberingen zorgde in Duitsland. Links trok haar voordeel uit deze groeiende sociale onrust en begon in december 1915 te pleitten voor een vredesovereenkomst. In 1916 had de militaire situatie ervoor gezorgd dat de Duitse burgers op het thuisfront geconfronteerd werden met massale uithongering. Ondertussen had de SPD aanvankelijk de oorspronkelijke boodschap van het Gotha programma van 1875 en haar toewijding aan Marxistische principes onderschreven. Echter de eenmalige adjunct van de partij – Karl Grillenberger – had enkele jaren eerder gepocht dat zij het programma hadden verworpen omdat voor hen “iedere revolutionaire dictatuur van het proletariaat uit den boze was”. Dit teken van onvermogen is slechts een klein voorbeeld van hoe ver de SPD al af stond van haar Marxistische oorsprong. Mensen als Luxemburg en Liebknecht wisten deze tekortkomingen van hun partijgenoten te benutten door het Gotha programma nieuw leven in te blazen en wederom op te roepen tot revolutionaire actie. Hierop beschuldigde de rechtse vleugel binnen de SPD, de groep rond de krant “Die Glocke” die nog steeds het “Burgfrieden” concept verdedigde, deze dissidenten ervan om onpatriottisch en anti Duits te zijn. De revolutionaire Socialisten formeerden zichzelf binnen de Gruppe Internationale en probeerden het gehele kader van de partij te laten instorten.

Ondanks dat de linkse vleugel van de SPD zelf ook verdeeld was, resulteerde deze compromisloze tactiek in de complete fragmentatie van de partij. De grootste groep bestond uit vertegenwoordigers van het centrum binnen de SPD, zoals Kautsky, gematigde linksen zoals Hugo Haase en Rudolf Hilferding en revisionisten zoals Eduard Bernstein en Kurt Eisner. Deze elementen kan men collectief omschrijven als de onafhankelijken, die verenigd waren in het feit dat ze de noodzaak voor defensieve militaire actie steunden. Zij vonden dat de oorlogsdoelen en het expansionistische beleid van de heersende groepen binnen de Duitse Staat tegen de geloofwaardigheid van een defensieve oorlog pleitten. Nadat ze uit de parlementaire groepering van de SPD gestuurd waren in maart 1916 begonnen achttien van hun gelijkgezinde delegaten kort voor de formatie van een rivaliserende organisatie, de Unabhangige Sozialdemokratische Partei Deutschlands (USPD), hun eigen parlementaire groep. De revolutionaire Socialisten – ook wel Spartakus gruppe - sloten zich bij deze nieuwe partij aan. Maar de USPD kwam al snel in een ongemakkelijke positie geklemd tussen de orthodoxe reformisten binnen de SPD en de meer radicale Spartakus groep, wiens revolutionaire protagonisten al snel een doorn in het oog werden van de meer gematigde medestanders. Toen het leger het gebruik van onderzeeboot oorlogsvoering orkestreerde in januari 1917 – een essentieel politiek besluit – wisten diegenen aan de uiterst linkse zijde in het politieke spectrum de overduidelijke tekortkomingen van het parlementarisme uit te buiten. Immers als vertegenwoordigers van het leger de politieke arena voorbij streefden om hun eigen agenda te behartigen, dan was de Reichstag irrelevant geworden en was het gerechtvaardigd om een revolutionaire positie in te nemen. De Duitse Staat reageerde hierop door veel mensen van de Spartakus groep gevangen te zetten op grond van hun subversieve activiteiten. Luxemburg en Liebknecht werden beide gedwongen om van 1916 tot 1918 in het gevang te verblijven.

De Bolsjewistische revolutie in het Rusland van 1917 had vele Socialisten in het buitenland geïnspireerd en in 1918 voedde de dreigende ondergang van de Duitse militaire machine de revolutionaire Socialisten enkel nog meer. Ondanks dat de Kaiser pogingen had ondernomen om enkele hervormingen door te voeren, vroeg het toenemende extremisme in de Duitse samenleving om een meer radicale politieke oplossing en een grote litanie van politieke, sociale en economische rampen volgde snel. Doordat de geallieerde blokkade ernstige problemen deed ontstaan onder de gewone bevolking in de wintermaanden van 1917-1918 ontstonden er naar het voorbeeld van de Sovjets van Lenin vergelijkbare raden in Duitsland. Op 4 november 1918 werd de Duitse marine geplaagd door muiterij en daarmee werd de aftrap voor de revolutie gemaakt. Nadat zeelieden zorgden voor rellen en demonstraties verspreidde dit fenomeen zich al snel naar andere Duitse steden. Op 6 november eiste industriële arbeiders in Hamburg Bremen en Cuxhaven de volledige implementatie van Socialisme en een radensysteem. Uiteindelijk trad keizer Wilhelm II onder druk hiervan af op 9 november 1918 waarop Friedrich Ebert de nieuwe Duitse kanselier werd. Het aftreden van de Kaiser werd door de revolutionaire Socialisten echter niet gezien als een Socialistische overwinning. De eventuele formatie van een regeringscoalitie van vertegenwoordigers van de SPD en USPD werd enkel gezien als een voortijdige interruptie van het gehele revolutionaire proces. Toen de voorgestelde “Republiek van Raden” werd overschaduwd door de verkiezing van een “Nationale Vergadering” en “Raad van Volkscommissarissen” richtten Luxemburg en Liebknecht de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD) op. Ondanks het feit dat Luxemburg de gehele eerste wereldoorlog het concept van de Leninistische voorhoede had gesteund, was zij inmiddels zeer kritisch tegenover het Russische Bolsjewisme. Zij was van mening dat toen het Bolsjewisme de Staatsmacht had overgenomen het totale concept van democratie in het geheel achter zich gelaten werd. De KPD drong er dan ook op aan dat het nooit de Staatsmacht zou overnemen tenzij dit een reactie is op de duidelijke en onmiskenbare wens van de overgrote meerderheid van het proletariaat. Welke plannen de leiders van de KPD dan ook hadden voor de regeringsmacht, deze werden op 10 en 11 januari bruut vernietigd toen Luxemburg en Liebknecht werden vermoord door gewapende soldaten van de reactionaire Freikorpsen. De revolutie was dus over, alvorens deze goed en wel begon. In de nasleep van de militaire nederlaag van Duitsland was het de oude garde van Sociaal-Democraten die het Kapitalisme weer in ere herstelden, enkel dit keer in een iets smakelijkere vorm dan haar monarchistische voorgangers toestonden. 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten